Onderzoek

Inleiding
Neurofibromatose is een (erfelijke) aangeboren aandoening die 1:2500 mensen treft. In Nederland gaat het om ca. 5000 patiënten. Bij de helft van deze patiënten komt NF1 reeds voor in de familie. Bij de andere helft is er sprake van een spontane mutatie.
Op jonge leeftijd zijn met name de cognitieve problemen opvallend. Veel kinderen met NF1 hebben een verstandelijke beperking en er is een sterk verhoogd percentage van kinderen met autisme. Daarnaast hebben veel patiënten gedragsproblemen, aandachtsproblemen en verhoogde vermoeidheid.
Op volwassen leeftijd zijn de tumoren (fibromen) de meest opvallende kenmerken. Deze kunnen echter in aantal en grootte zeer sterk toenemen waardoor ze bijzonder belastend, of zelfs levensbedreigend worden voor de patiënt.

Variatie
De kenmerken van NF1 zijn erg variabel van patiënt tot patiënt, zelfs binnen een familie met dezelfde mutatie. Dit geldt zowel voor de cognitieve problemen als wel voor het aantal en de aard van de tumoren. Het is volstrekt onduidelijk waarom de ene NF1 patiënt veel erger wordt getroffen door deze aandoening dan de andere patiënt. Als we dit zouden begrijpen kunnen we niet alleen beter diagnoses stellen maar mogelijk ook betere behandelingen vinden voor NF1.
Om inzicht te krijgen in hoeverre de variatie het gevolg is van genetische verschillen ofwel spontane (niet-genetische) variatie is onbekend. Om deze vraag te kunnen beantwoorden is een wereldwijd onderzoek nodig, waarbij er onderzoek gedaan wordt bij eeneiige (monozygote) tweelingen met NF1. Eeneiige tweelingen zijn namelijk genetisch (nagenoeg) identiek, en door hun kenmerken en genetisch materiaal te bestuderen kunnen we bepalen welke factoren van invloed zijn op de variabele klinische verschijnselen. Dit zou niet alleen de diagnose verbeteren, maar zal ook nieuwe aangrijpingspunten voor medicijnen op leveren. Het NF1 expertise centrum op het Erasmus MC zou dit onderzoek bij voldoende financiële middelen zo spoedig mogelijk willen opstarten.

Verstandelijke beperking en autisme
Kinderen met de erfelijke aandoening Neurofibromatose type 1 (NF1) hebben naast lichamelijke kenmerken vaak ook problemen met leren, concentreren, gedrag en motorriek. Zo’n 80% van de kinderen heeft cognitieve problemen, en bij 1:6 kinderen met NF1 is er sprake van een verstandelijke beperking. In Nederland zit 1:3 van de kinderen met NF1 op speciaal onderwijs. Autisme spectrum stoornis komt voor in bijna de helft van de kinderen met NF1. In het ENCORE-laboratorium in het Erasmus MC in Rotterdam is de oorzaak van deze leer- en gedragsproblemen onderzocht, waarbij duidelijk werd dat er bij NF1 hersencellen sprake is van een verlaagde prikkelbaarheid is van de hersencellen. Hierdoor kunnen hersencellen minder goed hun onderlinge verbindingen versterken, waardoor er leerproblemen ontstaan. Deze experimenten op het laboratorium hebben tevens aangetoond dat het geneesmiddel ‘Lamotrigine’ de prikkelbaarheid van de hersencellen kan herstellen.
Om te onderzoeken of Lamotrigine ook daadwerkelijk kan helpen tegen de leer- en gedragsproblemen bij de kinderen met NF1, is op het Erasmus MC een “gerandomiseerde klinische trial” gestart. Hierbij zal de helft van de kinderen Lamotrigine krijgen en de andere helft een placebo. Na 1 jaar behandeling wordt vervolgens getest of de kinderen met Lamotrigine inderdaad minder leer- en gedragsproblemen hebben. Uiteindelijk kan dit onderzoek leiden tot een nieuwe behandeling van de cognitieve problemen zie zich bij NF1 aandoen. Om deze studie te uit te kunnen voeren met een grote groep patiënten is internationale samenwerking nodig en het benodigde geld voor de medicatie en medische onderzoeken.